TaalTaal Logo
Site in het NederlandsSite in English
Vertaal met Google

Italiaanse preposities en hoe ze samensmelten

Waar liggen je sleutels? Sul tavolo, nella borsa, sotto il divano. De woordjes die zeggen waar iets is, heten preposities; in het Nederlands zeg je ook voorzetsels. Het Italiaans heeft er één eigenaardigheid bij die je meteen moet kennen: een paar ervan smelten samen met het lidwoord. Wie dat eenmaal ziet, leest ineens veel makkelijker.

Kort antwoord: su is op (je raakt het), sopra boven, sotto onder, in en dentro in, accanto a naast, tra tussen, dietro achter, davanti a voor en contro tegen. De voorzetsels a, da, di, in en su smelten samen met il, la en de andere lidwoorden: su + il = sul, a + la = alla, in + il = nel.

1 De woordjes van plaats

ItaliaansNederlandsVoorbeeld
suopLe chiavi sono sul tavolo. (su + il)
soprabovenLa lampada è sopra il tavolo.
sottoonderIl gatto dorme sotto il tavolo.
ininIl telefono è nella borsa. (in + la)
dentrobinneninGuarda dentro l'armadio!
accanto anaastAbito accanto al panificio. (a + il)
tra (of fra)tussenLa farmacia è tra la banca e il supermercato.
dietroachterLa bici è dietro la casa.
davanti avoorAspetto davanti alla stazione. (a + la)
controtegenLa scala è appoggiata contro il muro.

Su en sopra lijken op elkaar. Su is erop, je raakt het: il libro è sul tavolo. Sopra is hoger, vaak zonder het te raken: la lampada è sopra il tavolo. Zo ook met in en dentro: gewoon "in" is in (nella borsa), en dentro zeg je als je wilt benadrukken dat het echt binnenin zit.

Tra en fra betekenen precies hetzelfde. Je kiest wat lekkerder klinkt: niemand zegt graag fra fratelli of tra tre giorni, dus wordt het tra fratelli en fra tre giorni.

2 Samensmelten: sul, alla, nel

Komen a, da, di, in of su voor een lidwoord, dan worden ze één woord. Dat heet in het Italiaans preposizione articolata. Je zegt nooit su il tavolo, altijd sul tavolo. Dit is de hele tabel:

illol'laiglile
aalalloall'allaaiaglialle
dadaldallodall'dalladaidaglidalle
dideldellodell'delladeideglidelle
innelnellonell'nellaneineglinelle
susulsullosull'sullasuisuglisulle

Hij ziet er groot uit, maar er zit een vast patroon in. A, da en su plakken er gewoon een l tussen (al, dal, sul); bij di wordt het de- (del) en bij in wordt het ne- (nel). Voor een lidwoord dat met een l begint, komt er een extra l bij: a + la = alla, in + lo = nello.

Tip: de andere voorzetsels smelten niet samen. Je zegt tra la banca e il supermercato, sotto il tavolo, dietro la casa, per la strada, con il treno. Alleen die vijf: a, da, di, in, su. (Je hoort soms nog col treno voor con il treno, maar dat hoef je niet zelf te zeggen.)

3 Welk lidwoord: il, lo, l', la

Welke vorm je krijgt, hangt af van het lidwoord, en dat hangt af van het woord dat volgt:

LidwoordWanneerVoorbeeld
il / imannelijk, de gewone vormil tavolo, i libri
lo / glimannelijk, voor s + medeklinker, z, gn, ps en ylo zaino, lo specchio, gli zaini
l' / glimannelijk, voor een klinkerl'armadio, gli armadi
la / levrouwelijkla sedia, le sedie
l' / levrouwelijk, voor een klinkerl'amica, le amiche

Dus: sul tavolo, maar sullo scaffale (op de plank), nell'armadio (in de kast) en sulla sedia (op de stoel).

4 Met a erachter: accanto a, davanti a

Een paar plaatswoorden bestaan uit twee delen en eindigen op a. Die a smelt dan samen met het lidwoord:

ItaliaansNederlandsVoorbeeld
accanto anaastaccanto al tavolo
davanti avoordavanti alla scatola
vicino adichtbijvicino alla stazione
di fronte ategenoverdi fronte al museo
in mezzo amidden in, tussenin mezzo alla piazza

Bij een persoon zeg je accanto a me (naast mij), davanti a te (voor jou). Bij sotto, sopra en dietro komt er voor een persoon di tussen: sotto di me, dietro di te.

5 A Roma, in Italia, in cucina

Bij plaatsnamen kiest het Italiaans niet tussen in en op, maar tussen a en in:

WatVoorzetselVoorbeelden
een stadaAbito a Roma. Vado a Milano.
een land, een streek, een groot eilandinin Italia, in Toscana, in Sicilia
een kamer, een winkel op -iain, zonder lidwoordin cucina, in bagno, in farmacia, in banca
een paar vaste plekkena, zonder lidwoorda casa, a scuola, a letto
andere plekkena + lidwoordal cinema, al bar, al mare, al supermercato

Met a en in zeg je zowel waar je bent als waar je heen gaat: sono a Roma (ik ben in Rome), vado a Roma (ik ga naar Rome).

Iemand succes wensen doe je in het Italiaans met een voorzetsel: in bocca al lupo!, in de bek van de wolf. Het antwoord is crepi!, laat hem doodvallen. Volgens het bijgeloof brengt "grazie" als antwoord juist ongeluk.

Test jezelf

Il libro è ___ tavolo. (su + il)

sul: il libro è sul tavolo. Su en il worden samen één woord.

"Ik wacht voor het station." Hoe zeg je dat?

Aspetto davanti alla stazione. Davanti a + la wordt alla.

Le chiavi sono ___ armadio. (in + l')

nell': le chiavi sono nell'armadio. In + l' wordt nell', want armadio begint met een klinker.

De kat is tussen de stoel en de tafel. Smelt tra samen met la?

Nee: il gatto è tra la sedia e il tavolo. Alleen a, da, di, in en su smelten samen.

"Ik woon in Rome." Is het in Roma of a Roma?

Abito a Roma. Bij een stad gebruik je a; bij een land in: abito in Italia.

Oefen hetOefen met Bo: dov'è Bo?
Liever met een docent? Uitleg lezen is een begin, spreken leer je door het te doen. Leer een taal in een kleine groep of privé, in Den Haag en online. Gratis intake