Je zegt ik bel je op, maar ik wil je opbellen. Je schrijft opbellen als één woord, maar in de zin staat het soms in twee stukken. Zo werkt dat.
Kort antwoord: een scheidbaar werkwoord bestaat uit een los stukje (op, aan, uit, mee, over ...) en een werkwoord. In een gewone hoofdzin gaat het stukje naar het eind: ik stap over. In een bijzin, met een tweede werkwoord en in het voltooid deelwoord blijft het één woord: omdat ik overstap, ik moet overstappen, ik ben overgestapt.
1 Herkennen
De meeste scheidbare werkwoorden beginnen met een voorzetsel of bijwoord. Veel ervan kom je elke dag tegen:
| Werkwoord | In een zin |
|---|---|
| opbellen | Ik bel de huisarts morgen op. |
| inchecken | Je checkt met je reiskaart in. |
| overstappen | We stappen in Utrecht over. |
| meenemen | Neem je paspoort mee. |
| afspreken | Wij spreken om drie uur af. |
| uitnodigen | Zij nodigt de buren uit. |
2 Wanneer gaat het uit elkaar?
In een hoofdzin met maar één werkwoord, in de tegenwoordige en de verleden tijd. Het werkwoord staat op de tweede plek, het losse stukje helemaal aan het eind.
PlannerHoe laat kom je morgen aan?
JijIk kom om half negen aan. Ik stap in Leiden over.
3 Wanneer blijft het samen?
- In een bijzin, waar het werkwoord achteraan staat: Ik ben te laat, omdat ik in Leiden overstap.
- Met een tweede werkwoord (kunnen, moeten, willen, gaan ...): Ik moet in Leiden overstappen.
- In het voltooid deelwoord komt ge- ertussen: Ik ben in Leiden overgestapt. Net zo: opgebeld, meegenomen, afgesproken.
- Met te komt te ertussen: Vergeet niet over te stappen.
Tip van de docent: twijfel je? Zet de zin in de toekomst met gaan: ik ga overstappen. Hoor je dan één woord achteraan, dan is het scheidbaar, en zet je in de gewone zin het stukje achteraan.
4 De klemtoon verraadt het
Bij een scheidbaar werkwoord ligt de klemtoon op het losse stukje: OPbellen, INchecken. Bij een werkwoord dat níet scheidt, ligt hij op het werkwoord zelf: verTELlen, beGINnen. Soms bestaan ze allebei, met een andere betekenis:
| Scheidbaar | Niet scheidbaar |
|---|---|
| VOORkomen (gebeuren): Dat komt vaak voor. | voorKOmen (tegenhouden): Hij voorkomt een ongeluk. |
| OVERkomen (ergens heen): Mijn moeder komt over. | overKOmen (gebeuren met): Wat overkomt mij nu? |
Een Nederlander zet het losse stukje soms pas een halve minuut later neer: Ik bel je, als ik morgen tijd heb en de kinderen op school zitten, op. Dat mag. Jij mag het korter houden.
Partnertip Geef elkaar bij het opruimen opdrachtjes, en doe pas wat er gezegd wordt als het stukje achteraan staat: Ruim de vaat maar op. Zet de radio even aan. Daarna draaien jullie het om en geeft de cursist de opdrachten. Een beetje toneel mag: wie bij Zet op de radio op de radio gaat staan, heeft het begrepen.
Test jezelf
Maak de zin af: "Ik ___ mijn collega morgen ___." (opbellen)
Ik bel mijn collega morgen op. Een hoofdzin met één werkwoord: het stukje gaat naar het eind.
En nu: "Ik weet niet of ik morgen ___." (meekomen)
Ik weet niet of ik morgen meekom. Een bijzin (na of): het werkwoord blijft één woord, achteraan.
Gisteren: "Ik ben om acht uur ___." (vertrekken)
Ik ben om acht uur vertrokken. Een strikvraag: vertrekken is níet scheidbaar (verTREKken), dus geen ge- ertussen.



