In het Nederlands zeg je 'er is een bank' en 'de bank is op de hoek' gewoon allebei met 'is'. Het Spaans maakt hier een keuze: hay of estar. Gelukkig verraadt één klein woordje bijna altijd welke je nodig hebt.
Kort antwoord: hay betekent er is / er zijn: je vertelt dat iets bestaat of ergens te vinden is, vaak iets nieuws (un, una, dos, mucho). Está en están zeggen waar een bekend, bepaald ding is (el, la, mi, een naam). Hay un supermercado cerca. El supermercado está en la plaza.
1 Hay: er is, er zijn
| Spaans | Nederlands |
|---|---|
| Hay un banco en esta calle. | Er is een bank in deze straat. |
| Hay tres museos en el centro. | Er zijn drie musea in het centrum. |
| ¿Hay leche? | Is er melk? |
Hay verandert nooit: één bank of drie musea, het blijft hay. In de verleden tijd wordt het había. In Latijns-Amerika hoor je in de spreektaal vaak habían muchas personas, maar de norm is overal había.
2 Está en están: waar het is
| Spaans | Nederlands |
|---|---|
| El banco está en la esquina. | De bank is op de hoek. |
| Mis llaves están en la mesa. | Mijn sleutels liggen op tafel. |
| ¿Dónde está Lucía? | Waar is Lucía? |
Hier telt het wel: één ding está, meer dingen están. In Latijns-Amerika vraag je naar een gebouw ook vaak met quedar: ¿Dónde queda el banco?
3 Het signaal: het woordje erna
| Hay + | Está / están + |
|---|---|
| un, una, unos, unas | el, la, los, las |
| dos, tres, mucho, poco | mi, tu, este, esa |
| niets: hay pan | een naam: Madrid, Carlos |
Tip van de docent: kijk naar het woord direct na de lege plek. Staat er el, la of mi, dan ken je het ding al en kies je está. Hay el banco is dus altijd fout.
Op elk Spaans dorpsplein hay un bar. Waar je vrienden zijn? Die están en el bar. Zo vind je met één regel grammatica meteen ook je gezelschap.
Test jezelf
"En mi calle ___ dos farmacias." (hay of están?)
hay: er zijn twee apotheken, je vertelt dat ze bestaan.
"¿Dónde ___ las llaves?" (hay of están?)
están: bekende, bepaalde sleutels (las), en je vraagt waar ze zijn.




