Het Spaans heeft twee werkwoorden voor 'zijn': ser en estar. Voor Nederlanders is dat in het begin verwarrend, maar met twee vragen kies je bijna altijd goed.
Kort antwoord: ser gebruik je voor wat iets is: wie je bent, waar je vandaan komt, je beroep, de tijd, eigenschappen. Estar gebruik je voor waar iets is en hoe het nu is: je plek, hoe je je voelt, een tijdelijke toestand. Soy de Holanda, pero ahora estoy en Madrid.
1 Ser: wat iets is
| Waarvoor | Voorbeeld |
|---|---|
| wie je bent, je beroep | Soy Amal. Soy profesora. |
| waar je vandaan komt | Somos de Den Haag. |
| eigenschappen | La casa es grande. |
| de tijd en de datum | Son las tres. Hoy es lunes. |
2 Estar: waar en hoe
| Waarvoor | Voorbeeld |
|---|---|
| waar iets of iemand is | Estoy en la estación. |
| hoe je je voelt | Estoy cansada. |
| een tijdelijke toestand | La sopa está fría. |
| wat je nu aan het doen bent | Estoy hablando por teléfono. |
Tip van de docent: vraag jezelf: waar of hoe nu? Dan estar. Anders bijna altijd ser. Eén uitzondering om te onthouden: een feest of vergadering 'is' ergens met ser: La fiesta es en mi casa.
3 Hetzelfde woord, een andere betekenis
| Met ser | Met estar |
|---|---|
| Es aburrido. Hij is saai. | Está aburrido. Hij verveelt zich. |
| Es listo. Hij is slim. | Está listo. Hij is klaar. |
| Es rica. Zij is rijk. | Está rica. Het is lekker (het eten). |
Zeg je per ongeluk soy aburrido op een feestje, dan vertel je iedereen dat je een saai mens bent. Goed om het verschil te kennen dus.
Test jezelf
"Mi madre ___ en el hospital." (ser of estar?)
está: waar iemand is, dus estar.
"Mi madre ___ enfermera." (ser of estar?)
es: een beroep, dus ser.




