Je belt aan bij je nieuwe buurvrouw. Zeg je "Goedemiddag, ik ben uw nieuwe buurman" of "Hoi, ik ben je nieuwe buurman"? Het Nederlands heeft twee woorden voor you, en het verschil zit niet in de grammatica maar in afstand. Zo werkt het, en zo voorkom je dat je bot of juist stijf klinkt.
Kort antwoord: tegen iemand die je niet kent en die ouder is dan jij, of in een officiële situatie, zeg je u. Tegen vrienden, familie, collega's, kinderen en leeftijdgenoten zeg je je of jij. Zegt iemand "zeg maar je", dan ga je over op je en de voornaam, en blijf je daarbij.
1 De vormen: je, jij, jou, jouw en u
| Gewoon | Met nadruk | Beleefd | |
|---|---|---|---|
| onderwerp | je bent | jij bent | u bent |
| na een werkwoord of voorzetsel | ik zie je | ik zie jou | ik zie u |
| van wie | je jas | jouw jas | uw jas |
Je is de gewone vorm. Jij, jou en jouw gebruik je als het woord nadruk krijgt, bijvoorbeeld als je twee mensen tegenover elkaar zet: Ik drink thee, en jij? Of als je iemand iets terugwenst: Fijne avond! – Dank je, jij ook!
Tip: u is altijd hetzelfde, met of zonder nadruk. Alleen het bezit heeft een eigen vorm: uw.
2 Wanneer zeg je u?
Nederland is in de afgelopen vijftig jaar steeds meer je gaan zeggen. In de winkel, bij de kapper, op je werk en op internet hoor je bijna alleen nog je. Toch is u niet verdwenen:
| Meestal u | Meestal je |
|---|---|
| iemand die je niet kent en die ouder is dan jij | vrienden, familie, kinderen |
| bij de gemeente, de huisarts, de politie, aan de telefoon met een bedrijf | collega's, ook je baas (vaak) |
| een officiële brief of e-mail aan iemand die je niet kent | leeftijdgenoten, ook als je ze niet kent |
| als je respect wilt laten zien, of juist afstand wilt houden | in de winkel en het café (je bestelt met je) |
Twijfel je? Begin met u. Te beleefd zijn wordt je nooit kwalijk genomen; de ander biedt vanzelf je aan als die dat wil. Andersom kan je tegen een oudere onbekende brutaal klinken.
Het hoeft niet van twee kanten hetzelfde te zijn. Een kind zegt u tegen de buurvrouw, de buurvrouw zegt je tegen het kind. En een oudere buurvrouw kan best je zeggen tegen haar nieuwe buurman, terwijl hij nog u zegt, tot ze zegt: zeg maar je, hoor.
3 "Zeg maar je": het moment van overstappen
Wie ouder is, of de baas, of de klant, mag je aanbieden. Dat klinkt zo:
- Zeg maar je, hoor.
- Je mag gewoon je zeggen.
- Zeg maar Ans. (dan gebruik je ook de voornaam)
- Zo oud ben ik nou ook weer niet! (met een knipoog: zeg maar je)
Na zo'n zin zeg je je en de voornaam, vanaf meteen en voor altijd. Je hoeft niets terug te zeggen; gewoon doorpraten met je is genoeg. Teruggaan naar u of mevrouw voelt alsof je weer afstand neemt.
4 Het werkwoord bij je en u
Bij je en jij krijgt het werkwoord een -t: je werkt, jij woont. Maar staat je of jij achter het werkwoord, in een vraag, dan valt die -t weg:
| Gewone zin | Vraag | Met u |
|---|---|---|
| Je werkt hier. | Werk je hier? | Werkt u hier? |
| Jij woont hier. | Woon jij hier? | Woont u hier? |
| Je hebt een pakketje. | Heb je een pakketje? | Heeft u een pakketje? |
| Je bent nieuw. | Ben je nieuw? | Bent u nieuw? |
Bij u blijft de -t altijd staan. Bij hebben zijn u heeft en u hebt allebei goed; u heeft hoor je het meest.
5 Valkuilen
- U en je door elkaar. Heeft u je jas? klinkt rommelig. Kies één: Heeft u uw jas? of Heb je je jas?
- Mevrouw na "zeg maar je". Dank u wel, mevrouw nadat ze zeg maar je zei, voelt koel. Zeg Dank je wel, Ans.
- Ik ook in plaats van jij ook. Op Fijn weekend! antwoord je Jij ook! (of U ook!). Ik ook betekent dat jij hetzelfde hebt.
- Engels you vertalen. In het Engels zeg je tegen iedereen you; in het Nederlands moet je kiezen. Bij twijfel: u.
Partnertip Speel de nieuwe buurvrouw. De partner is een onbekende in de lift of bij de voordeur, en de cursist begint met u: Goedemiddag, woont u hier ook? Ergens in het gesprek zegt de partner: Zeg maar je, hoor! Vanaf dan is het je, ook bij het werkwoord: heb je, kun je. Wie terugvalt in u, zet de koffie.
Test jezelf
Je belt aan bij een oudere buurvrouw die je nog niet kent. Je of u?
U. Goedemiddag, ik ben uw nieuwe buurman. Biedt ze je aan, dan stap je over.
Ze zegt: "Zeg maar je, hoor." Hoe vraag je hoe het met haar gaat?
Hoe gaat het met jou? Of met je. Niet meer met u.
Maak er een vraag van: je woont hier.
Woon je hier? In een vraag valt de -t weg achter je.
Je buurvrouw zegt: "Fijne avond nog!" Wat zeg je?
Dank je, jij ook! Met nadruk, dus jij.
Wat is er mis met: "Heeft u je fiets buiten gezet?"
U en je door elkaar. Goed is Heeft u uw fiets buiten gezet? of Heb je je fiets buiten gezet?



