TaalTaal Logo
Site in het NederlandsSite in English
Vertaal met Google

Niet of geen? Zo zeg je nee in het Nederlands

Er ligt geen vork op tafel en de soep is niet warm. Twee keer not, maar in het Nederlands twee verschillende woorden. Het Engels zegt I don't have a fork en the soup isn't hot; het Nederlands kiest tussen geen en niet. Wie de regel één keer ziet, maakt de fout daarna bijna nooit meer.

Kort antwoord: geen zeg je bij een zelfstandig naamwoord met een of zonder lidwoord: een vork wordt geen vork, tijd wordt geen tijd. In alle andere gevallen zeg je niet: bij een werkwoord, bij de of het, bij een naam, en vóór woorden als warm, moe of in Den Haag.

1 Wanneer zeg je geen?

Kijk naar het woord dat je ontkent. Is het een ding (een zelfstandig naamwoord) en staat er een voor, of helemaal niets, dan wordt het geen. Geen is eigenlijk niet en een in één woord.

Zonder ontkenningMet ontkenning
Ik heb een vork.Ik heb geen vork.
Ik heb tijd.Ik heb geen tijd.
We hebben kinderen.We hebben geen kinderen.
Ze drinkt alcohol.Ze drinkt geen alcohol.
Hij is kok.Hij is geen kok.

Let op de laatste: een beroep, een nationaliteit of een rol heeft in het Nederlands geen lidwoord (hij is kok, ik ben Nederlander). Dus ontken je het met geen: ik ben geen Nederlander.

Tip: het meervoud van een is niets: een kind, kinderen. Daarom krijgt ook een meervoud zonder lidwoord geen: geen kinderen, geen problemen.

2 Wanneer zeg je niet?

Overal waar geen geen kan, is het niet:

  • bij een werkwoord: Ik werk niet. Het smaakt niet.
  • bij de, het, dit, dat, mijn, jouw: Ik heb de rekening niet. Dit is niet mijn tas.
  • bij een naam: Ik ken Alex niet.
  • bij hoe iets is: De soep is niet warm. Ik ben niet moe.
  • bij waar of wanneer: We wonen niet in Den Haag. Ik kom niet vandaag, maar morgen.

Het verschil is soms klein en toch groot. Ik ben geen vegetariër betekent dat je vlees eet. Ik eet geen vlees betekent het omgekeerde. Een ober die dat door elkaar hoort, kijkt je even vreemd aan.

3 Waar staat niet in de zin?

Geen staat altijd direct vóór zijn woord, dus daar is de plek makkelijk. Bij niet moet je even kijken wat er nog meer in de zin staat:

Wat staat er in de zin?Plek van nietVoorbeeld
alleen een werkwoord (en de, het, een naam)helemaal achteraanOp zaterdag werk ik niet.
hoe iets is (warm, lekker, open)vlak ervóórHet restaurant is niet open.
een plek (in, op, bij ...)vlak ervóórWe zitten niet bij het raam.
een tweede werkwoord (kan, wil, heb ... gedaan)vlak vóór het tweede werkwoordIk kan niet komen. Ik heb niet betaald.
een scheidbaar werkwoord (opbellen)vlak vóór het losse stukjeIk bel je niet op.

Het werkwoord blijft altijd op de tweede plek. Niet komt dus nooit vóór dat werkwoord: ik werk niet, nooit ik niet werk.

Tip: tijd (vandaag, morgen, op zaterdag) staat meestal vóór niet: Ik werk vandaag niet. Zet je niet ervóór, dan wordt het een tegenstelling: Ik werk niet vandaag, maar morgen.

4 Niet een, niet één en geen een

Niet een bestaat wel, maar alleen met nadruk op de een, als je één tegenover meer zet: Ik heb niet één vork, ik heb er drie. Bedoel je dat er helemaal geen is, dan zeg je geen. Daarom klinkt ik heb niet een vork voor een Nederlander vreemd: hoeveel vorken wil je dan wel?

Ook bestaat geen één in de spreektaal, als nadruk: Ik heb geen één fout gemaakt! In nette taal zeg je dan geen enkele fout.

5 Valkuilen

  • Engels "not a" letterlijk vertalen. I don't have a bike is ik heb geen fiets, niet ik heb niet een fiets.
  • Geen bij een bijvoeglijk naamwoord. Ik ben geen moe is fout: moe is geen ding. Zeg ik ben niet moe.
  • Niet vóór het werkwoord. Ik niet werk volgt het Engels of het Duits van de bijzin. In een gewone zin staat het werkwoord op twee: ik werk niet.
  • Niet achter het tweede werkwoord. Ik kan komen niet is fout. Het tweede werkwoord staat achteraan, en niet staat ervoor: ik kan niet komen.
  • Geen bij een werkwoord. Ik heb geen gereserveerd is fout. Gereserveerd is een werkwoord: ik heb niet gereserveerd.

Partnertip Doe samen het spelletje "Hebben we nog...?", bij het boodschappenlijstje of als de koelkast open staat. De een vraagt: Hebben we nog eieren? De ander antwoordt met nee: Nee, we hebben geen eieren meer. Of: De melk is niet koud. Let alleen op niet of geen. Is de rest niet perfect, laat het dan gaan: het gaat erom dat je het samen zegt.

Test jezelf

Niet of geen? Ik heb ... honger.

Geen. Honger is een ding zonder lidwoord: ik heb geen honger.

Niet of geen? De pasta is ... warm.

Niet. Warm zegt hoe de pasta is: de pasta is niet warm.

Maak ontkennend: Ik kan morgen komen.

Ik kan morgen niet komen. Niet staat vóór het tweede werkwoord.

Maak ontkennend: Hij is kok.

Hij is geen kok. Een beroep heeft geen lidwoord, dus geen.

Wat is er mis met: "Ik heb niet een fiets."?

Het moet geen zijn: ik heb geen fiets. Niet een betekent: niet één, maar meer.

Oefen hetOefen het aan tafel: Niet of geen
Liever met een docent? Uitleg lezen is een begin, spreken leer je door het te doen. Leer een taal in een kleine groep of privé, in Den Haag en online. Gratis intake